Tuinhistorie

Tuinaanleg De Mellard, drs. W.G.J.M. Meulenkamp, 17 september 2000

I. een schets van de historische aanleg

Opvallend is dat geen der (weinige) publicaties over De Mellard melding maakt van de huidige aanleg. Na kennisname van de beschikbare documentatie en een bezoek ter plekke, bleek echter dat juist de aanleg op De Mellard van grote interesse is, nog grotendeels aanwezig blijkt voor wat betreft de historische structuurelementen, en in combinatie met de documentatie een goed beeld geeft van een vroeg-negentiende eeuwse aanleg in een oudere (in ieder geval achttiende eeuwse-) opzet. De Mellard dateert in aanzet uit de vijftiende en zestiende eeuw en ontwikkelde zich in de loop van de zeventiende eeuw tot een aanzienlijk huis. Het huis was in de zeventiende eeuw toegekomen aan de Nijmeegse familie Van der Linden. In 1706 huwt Francois van der Linden (burgmeester van Nijmegen en heemraad van de Over-Betuwe) op De Mellard met Agneta van Herwaerden. Vanaf die tijd lijkt niet alleen het huis maar ook de tuin gestaag uitgebreid en verfraaid te worden.
In 1707 wordt ene Lewijn Birweert vermeld als ‘Hovenier op de Mellert’, en in 1747 en 1757 worden ‘Sterreboschen’ genoemd naast de gebruikelijke ‘Boomgaart’ en ‘Alleeen’.
In 1781 wordt het goed eerstmaals verkocht aan H.W. Everts en in 1788 aan J.E. Sanders van Well. In de transportacte bij de laatste verkoop is dan sprake van een blijkbaar tussen 1757 en 1788 veel meer uitgebreide aanleg: ‘…… drie Tuynen, Boomgaarden, Tuynmanswoning, drie visrijke vijvers … drie allee’s van Eyken, Ipen als Boeke … De boomen en een Bosch leggende tussen de ijsere hekken’, voorts nog een tweede bos, en een stuk bouwland ‘Den Boomgaard genaamd met den acker die er midden doorschiet …’ en een weide, ‘den grooten Ossenkamp’ aan weerszijden van de voorste allee en de dwarsallee.
Dit en de latere documentatie (kaart uit 1832 en de beschrijving door A.W. Engelen) geven aan dat hier sprake was (en is) van een zg. ferme orné.
In 1796 wordt het goed verkocht aan Hendrik Engelen, houder van enige belangrijke posities in het binnenlands bestuur. Het is dan dat enkele veranderingen moeten hebben plaatsgevonden. Onder meer is toen het bergje opgeworpen en waarschijnlijk is een en ander verlandschappelijkt. Een kaart uit 1811 toont een schematisch aangegeven slingeraanleg ten oosten van het huis.
In 1830 is het huis weer verkocht, aan Geurt de Hartog, burgemeester van Valburg. Blijkbaar bij gelegenheid van de verkoop bezoekt na lange afwezigheid Hendrik’s zoon Adriaan Walraven Engelen (1804—1890) weer het huis en aanwezen. Hij geeft in de ‘Opdragt en Inleiding’ van zijn driedelige historische roman De Grot van Fosto (Groningen 1840) een verslag van dit bezoek. A.W. Engelen liet een redelijk uitgebreid schriftwerk na, en ook zijn ms. brieven lijken veel van interesse met betrekking tot De Mellard te bevatten (zij konden echter voorlopig niet in dit eerste onderzoek worden betrokken). De jeugdherinneringen bevatten een aantal saillante details omtrent de aanleg, details die nu vaak nog herkenbaar zijn:
(p. 6) ‘(Ik) herinnerde … mij, dat er zich, in de nabijheid van de plaats, waar ik mij bevond, aan de linkerzijde van den weg, een voetpad moest bevinden, hetwelk met vele slingeringen over de korenvelden heenloopende, aan het eiken boschje stuitte, dat zicht achter het huis uitbreidt, en het gebouw aan die zijde geheel verborgen houdt, tot dat men, buiten het bosch en in den rijkelijk met vruchtboomen beplanten tuin tredende, hetzelve eensklaps op slechts geringen afstand vóór zich ziet liggen.’
(p. 7) ‘Ik bleef stil staan, en naar hetzelve (vogelgezang) luisterende, viel mijn oog toevallig op de ruwe, van boomstompen te zamen gevoegde bank, aan deze zijde van het bosch op eene kleine, door de kunst gevormde hoogte opgerigt (=het huidige bergje). Gij herinnert u dezelve zonder twijfel nog onder den naam van de stompenbank. Het was de geliefkoosde zitplaats onzer ouderen, en de grenspaal, buiten welke wij onze kinderlijke spelen niet mochten uitstrekken. Ik snelde de hoogte op, en zette mij op den bank neder, die deerlijk in verval, en geheel met mos begroeid was. … alles gaf duidelijk (p. 8) te kennen dat er sedert vele jaren weinig zorg voor dit plekje gedragen was. … Eindelijk echter stond ik op, en mijne schreden verdubbelende, was ik spoedig het boschje ten einde gekomen, en in den tuin, en had dus nagenoeg het doel mijner wandeling bereikt.’
(p. 12) ‘Sints wij het landgoed verlaten hebben, werd de tuin, even gelijk de overige landerijen, verpacht; en onderging dus vele veranderingen. Gij zoudt alzoo vergeefs naar uw geliefkoosd bloemperk zoeken, of naar de donkere lanen van beukenhout … Ook … de zware wilde kastanjeboomen achter het huis zijn verdwenen.’
(p. 13) ‘De tamme kastanjeboom echter, ter zijde van den grooten vijver … stond er nog … De vijver zelf, welke vroeger om zijn helder water zoo geprezen werd, was thans met kroos en riet opgevuld en nagenoeg droog. De beide andere vijvers waren gedempt, en gelijk bijna de geheele tuin, tot moesgrond omgeschapen. De prieeltjes, waarin wij speelden, of de prenten in Vader CATS bekeken, of later ons met een nuttig boek vermaakten, waren insgelijks verdwenen, en de plaatsen, waar zij gestaan hadden, zelfs niet meer te herkennen.’
(p. 14 noemt de laan richting het dorp:) ‘gij kent het breede, hooge pad, hetwelk den voetganger daar (het dorp) henen leidt. Het loopt eerst tusschen twee rijen lindeboomen door, en vervolgens over vruchtbare akkers, met tabaksplanten of moeskruiden bedekt.’
In de tijd van Engelen is wellicht ook de wandschildering in het huis aangebracht waarvan nu helaas nog slechts een fragment zichtbaar is: een ferme orné-vignet dat bouwland, bijenkorven, boerderijen e.d. toonen XVIIId-XIXa gedateerd moet worden.

II. de nog aanwezige onderdelen van de tuin van De Mellard

Een kadasterkaart uit 1832 geeft een beeld van de aanleg van De Mellard zoals die grotendeels in de achttiende eeuw al in structuur moet zijn geweest, hetgeen ook overeenkomt met de beschrijvingen in de transportacte van 1788. Enkel het zeker sedert circa 1796-1815 bestaande bergje is niet aangegeven, noch natuurlijk de verdere invulling der tuinen (NB. de in 1788 genoemde ‘drie Tuynen’ zijn waarschijnlijk de tuin achter het huis en de beide huidige grasvelden voor het huis). Een merkwaardigheid is dat de door Engelen genoemde vijvers niet meer dichtgegooid blijken, maar weer van water zijn voorzien. De huidige situatie toont enkel nog water in vijver C, terwijl haar oevers onregelmatig zijn. De vijver A werd ca. 60 jaar geleden weer gedempt.
In aanzet is het merendeel der hierboven genoemde elementen nog aanwezig, waarbij aangetekend moet worden dat enkele van de lanen en vijvers enkel nog in structuur herkend kunnen worden, maar als zodanig accuraat corresponderen aan de 1832- kaart:
1. Vóór het huis, richting dorp, in oostelijke richting:
- tracé van de laan richting dorp (zoals ook vermeld door Engelen);
- beeindigingsvorm van toenmalig stuk bouwland, voorheen tuin/-ornamentele boomgaard;
- de vorm van de ca. 60 jaar geleden (mondelinge mededeling) weer gedempte grote vijver, nu pruimenboomgaard, en de grote laan (de in 1788 genoemde ‘dwarsallee’) die over de Mellardse Straat in zuidelijke richting loopt.
2. Achter het huis, in westelijke richting:
- de vorm van de vroegere tuin, doorsneden door een pad, nu grasvelden, begrensd in een diagonale vorm die nog exact uit de eerdere aanleg aanwezig is (aangetekend moet worden dat de halve cirkelvorm bij de aanzet van de tuin –direct achter het huis- verloren is gegaan;
- het bergje, zoals vermeld door Engelen;
- de beide kleine vijvers in hun essentie aanwezig, de meest zuidelijke ook nog met water, ofschoon de vorm gewijzigd is;
- tracé’s van de lanen welke een hoek maken met de Mellardse Straat;
- enkele oudere bomen.